Huisje op de hei. Hoe dan?

De Schuilplaats ligt aan een heideveld. Op het zuidterras zit U er middenin, en dat is geen toeval.

Heidevelden worden in Nederland tot het “cultuurlandschap” gerekend. Dat wil zeggen dat ze, ondanks hun natuurwáárde, een culturele oorsprong hebben. Van nature was Nederland bedekt met dik oerwoud. Die wouden zijn gekapt en begraasd door mensen en hun vee. Wat overbleef, vooral op zanderig substraat zoals rondom Norg in Drenthe, was hei. En bij erg hoge begrazingsdruk ontstond er stuifzand.

De Molenduinen – het gebied waarin de Schuilplaats ligt – zijn vernoemd naar de stuifduinen waarmee het gebied is bedekt. Een enkele uitzondering als onze geliefde “zandverstuiving”) daargelaten, zijn deze stuifduinen door de decennia heen bedekt geraakt met bos. En dankzij die stuifduinen is het een heerlijk heuvelachtig bos.

Begin 20ste eeuw is de begrazing in wat nu het bos rondom de Schuilplaats is stopgezet. Veel van de grove dennen (Pinus sylvestris) die in de buurt van ons vakantiehuisje staan behoren nog tot de oorspronkelijke boomopslag die kon opgroeien zodra de schapen niet meer elk kiempje in de kiem smoorden. In de schaduw en de gecomposteerde naalden van de dennen groeiden vervolgens loofbomen op, waaronder veel eikjes (Quercus spp.). En in een recent stadium kwam daar de laat-successionele beukenboom (Fagus sylvatica) bij.

Successie duidt in de ecologie op de relatieve volgorde waarin verstoorde, kale gronden gekoloniseerd worden door verschillende soortgroepen. Een andere laat-successionele soort is de blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) die een steeds groter oppervlakte van de bosgrond bedekt. (Dit is trouwens niet dezelfde soort als de blauwe bes – Vaccinium corymbosum, zonder “bos” in de naam.)

Zouden we niks hebben gedaan sinds de late jaren 50, dan zou ons privé-heideveld van het heide-achtige cultuurlandschapstype doorontwikkeld zijn tot een later-successionele bosvorm, via de denne-achtigen, tot een loofbos.

Nu is er niks mis met bos. Daarvoor verblijven we immers graag in de Schuilplaats! Maaaarr: een beetje diversiteit is wel zo leuk … voor ons … én voor alles dat er bloeit, groeit, kruipt, en vliegt. Veel vogels houden bijvoorbeeld vooral van bosránden. Randen – de gradiënten tussen twee verschillende biotopen – zijn sowieso oases van biodiversiteit; langs de gradiënten zijn altijd een aantal, unieke, deels overlappende niches te vinden.

Vanaf het terras van ons vakantieverblijf, ziet U bijvoorbeeld de heidelibellen jagen op hun prooidieren: kleiner insecten. Op hun beurt, vallen de libellen te prooi aan vogelsoorten die zich graag in de bosrand om de hei ophouden om zich te verschuilen voor de roofvogels die kleinere vogeltjes op hun menu hebben staan.

Om die diversiteit in stand te houden, trekt onze familie al ruim een halve eeuw de jonge boompjes uit onze hei. Zo nu en dan, als de stikstofdepositie zorgt voor vergrassing, plaggen we een stukje af, en een aantal decennia terug hebben we een keer de hele hei af laten plaggen om wat rigoureuzer in de vergrassing in te grijpen.

Op het moment van dit schrijven zijn een paar stukjes heide langs de westelijke gradiënt naar de bosbiotoop vergrast door de bladinval, en is er wat vergrassing rondom de natuurstenen gradiënt naar het terras. (Ja, het terras zélf tel ik ook als biotoop! Daarover schreef ik al eerder. [1, 2]) Deze vergrassing ontstond toen een paar zomers terug door een hittegolf veel van onze vossebes (Vaccinium vitis-idaea) overleed. Die (overigens eetbare) vossebes (ook “rode bosbes” genoemd) is zich al redelijk aan het herstellen. Om wat extra sturing te geven ga ik deze herfst plaatselijk wat grasplaggen uitsteken (die dan, op de takkenranden, overwinterniches helpen creëren voor o.a. egels).

In de zuidoosthoek van de hei staat een grote cluster van het Drents kretenboompje, tegenwoordig Amerikaans krentenboompje (Amelanchier lamarckii) genoemd. In de wat vruchtbare boomspiegel van deze krentenboompjes is kraaiheide opgekomen, waar lekkere besjes aankomen. Hiermee wil ik eindigen om te benadrukken dat er niet één juiste manier is om heide te beheren. De leukste verrassingen ontstaan vaak in de gradiënten, langs de randjes van een biotoop. “Rafelrandjes” noemde iemand dat ooit tegen mij in de context van verwaarloost stadsgroen.

De wilde marjolein (Origanum vulgare) doet het fantastisch in de kruidenrijke gradiënt tussen de zuidoostelijke terrasrand en de hei. Deze gradiënt heb ik expres laten vergrassen tot een ook nog best oligotrofe biotoop voor bloeiende kruidachtigen. De successie tot rijke bosbodem houd ik dus wel tegen.